< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Opzeggen samenlevingsovereenkomst brengt in dit geval mee dat vanaf datum beëindiging samenleving de regel van artikel 3:172 BW van toepassing is op het gemeenschappelijk eigendom.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,

team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.185.162/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland: 4189378 / CV EXPL 15-3598

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer 13 december 2016 (bij vervroeging)

inzake

[de vrouw] ,

wonend te [woonplaats a] ,

appellante,

advocaat: mr. F.S. Cuperus te Heerenveen,

tegen:

[de man] ,

wonend te [woonplaats b] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.P. van der Ree te Laren.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

De vrouw is bij dagvaarding van 1 februari 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, sector kanton, locatie Zaanstad (hierna: de kantonrechter), van 12 november 2015, gewezen tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde. De dagvaarding bevat de grieven met producties.

De man heeft een memorie van antwoord met producties ingediend.

Ten slotte is arrest gevraagd.

De vrouw heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis gedeeltelijk zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de man niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering dan wel het door de man gevorderde af te wijzen, met veroordeling van de man in de proceskosten in beide instanties.

De man heeft samengevat geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar hoger beroep, dan wel verwerping van de door de vrouw aangevoerde grieven en bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De man heeft in hoger beroep op twee onderdelen een bewijsaanbod gedaan.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in dit geding om het volgende.

3.1.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Blijkens na te noemen samenlevingsovereenkomst zijn zij [in] 2009 gaan samenwonen en voeren zij sinds dat tijdstip een gemeenschappelijke huishouding. Op 17 mei 2010 hebben zij een samenlevingsovereenkomst gesloten waarin zij hun vermogensrechtelijke verhouding hebben geregeld. Zij waren op dat moment gezamenlijk eigenaar van de woning aan [adres] te [plaats] (hierna: de woning).

3.1.2.

In de samenlevingsovereenkomst is, voor zover thans van belang, het navolgende bepaald:

“ 1. Begripsbepaling

a. Inkomen

(…)

b. Kosten van de huishouding

Onder de kosten van de huishouding worden in ieder geval begrepen: (…)

- de kosten van huisvesting, daaronder begrepen de huur en de rentelasten met betrekking tot de gezamenlijk bewoonde woning, de onroerendezaakbelasting en andere heffingen ter zake van het gebruik van de gezamenlijk bewoonde woning en de uitgaven voor dagelijks onderhoud en verzekering daarvan, ongeacht de eigendom van die woning;

(…)

2. Draagplicht van de kosten van de huishouding

1. De kosten van de gemeenschappelijk gevoerde huishouding moeten door beide partners worden betaald naar evenredigheid van hun inkomens. Voor zover die inkomens ontoereikend zijn, komen die kosten ten laste van de inkomsten uit vermogen, naar evenredigheid van die inkomsten. Voor zover ook die inkomsten ontoereikend zijn komen die kosten ten laste van de vermogens, naar evenredigheid van die vermogens.

(…)

6 Woning in gemeenschappelijke eigendom

1. De woning aan [adres] te [plaats] behoort toe aan beide partners, ieder voor de onverdeelde helft. Het hierna bepaalde heeft zowel betrekking op deze woning als ook op een in de toekomst gezamenlijk te verkrijgen woning. 2. Alle investeringen, kosten en lasten met betrekking tot de gemeenschappelijke woning, die niet onder de kosten van de huishouding vallen (zoals de hoofdsom van de in lid 5 bedoelde hypothecaire lening, de aflossing daarvan en de premies voor het spaargedeelte van de levensverzekering), komen voor rekening van beide partners, naar evenredigheid van hun aandeel in de woning, terwijl zij ook ieder in die verhouding delen in de gevolgen van een waardevermeerdering of vermindering van de woning. (…) 8. En/of-rekening

Een gemeenschappelijke bankrekening en/of kas behoort aan beide partijen toe en wordt op naam van beiden gesteld. Partijen stellen vast dat zij ieder voor de helft tot het saldo zijn gerechtigd.

(…)

10. Einde overeenkomst

Deze overeenkomst wordt ontbonden:

(…)

c. door opzegging bij aangetekende brief op het tijdstip waartegen is opgezegd. (…)

d. als uit feitelijke omstandigheden blijkt dat de samenwoning is geëindigd.

(…) 12. Einde van de samenleving anders dan door overlijden 1. Als de samenleving anders dan door overlijden eindigt, heeft ieder het recht nog gedurende drie maanden te wonen in de door hen samen bewoonde woning.

Het in artikel 6 bepaalde blijft gedurende die periode zoveel mogelijk van toepassing.

(…)”.

3.1.3.

De vrouw heeft de woning op 19 maart 2014 verlaten. Bij brief van 31 maart 2014 heeft zij de man bericht het samenlevingscontract eenzijdig te beëindigen met ingang van 19 maart 2014.

De man heeft de woning op 29 augustus 2014 verlaten.

3.1.4.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis – voor zover thans nog van belang - geoordeeld dat de vrouw over de periode van 19 augustus 2014 tot 1 mei 2015 de helft van de (door de man betaalde) eigenaars- en gebruikerslasten voor de woning aan hem dient te betalen, alsmede een derde van de tijdens de relatie teveel ontvangen toeslagen die de man inmiddels heeft terugbetaald aan de belastingdienst. Verder diende de vrouw een derde van het bedrag ter aanzuivering van de en/of rekening, de debetrente voor deze rekening en de kosten voor de aangifte IB aan de man te betalen, onder aftrek van een door de man aan de vrouw te betalen vergoeding voor de aan hem toegedeelde auto. Per saldo heeft de kantonrechter de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 10.101,44. Daarnaast heeft de kantonrechter de vrouw veroordeeld om vanaf 1 mei 2015 tot op het moment dat de woning in eigendom is overgedragen aan (een) derde(n) een bedrag van € 704,35 per maand aan de man te voldoen ter zake van de eigenaars-en gebruikerslasten.

3.2.

De vrouw heeft drie grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis.

In haar eerste grief stelt de vrouw aan de orde dat zij ten onrechte is veroordeeld tot het betalen van de helft van de eigenaarslasten over de periode vanaf 19 maart 2014 tot – kort gezegd – het moment dat de woning is geleverd aan een derde. Zij maakt daarbij onderscheid tussen de periode van 19 maart 2014 tot 29 augustus 2014 en de periode daarna.

Voor wat betreft de periode van 19 maart 2014 tot 29 augustus 2014, de datum waarop de man de woning heeft verlaten, beroept zij zich op artikel 12 van de samenlevingsovereenkomst. Uit dit artikel vloeit volgens haar voort dat partijen de eigenaarslasten naar evenredigheid van hun inkomens hadden moeten voldoen, mede gelet op hetgeen in de artikelen 1, 2 en 6 van de samenlevingsovereenkomst is bepaald. Subsidiair beroept zij zich op de redelijkheid en billijkheid, die meebrengt dat de woonlasten naar evenredigheid van het inkomen moeten worden verdeeld. Ter onderbouwing beroept zij zich op het feit dat zij in de periode van 19 maart 2014 tot 29 augustus 2014 geen woongenot heeft gehad. Ook wijst zij op het feit dat partijen na de geboorte van hun zoon in overleg hebben besloten dat zij minder zou gaan werken, zodat haar inkomen lager is. Zij is niet in staat de helft van de woonlasten te betalen. Op grond van de redelijkheid en billijkheid had ook voor de periode na 29 augustus 2014 beslist moeten worden dat de woonlasten naar rato van het inkomen voldaan zouden moeten worden, gelet op de door de vrouw genoemde omstandigheden.

3.3.

De man betwist dat artikel 12 van de samenlevingsovereenkomst meebrengt dat hij de meer dan de helft van de woonlasten zou moeten betalen. De vrouw heeft de woning verlaten. Er is geen sprake van geweest dat hij na overleg tussen partijen gebruik heeft gemaakt van zijn recht om in de woning te blijven wonen. De omstandigheid dat de vrouw de woonlasten niet zou kunnen betalen is geen reden om haar op grond van de redelijkheid en billijkheid van die verplichting te ontslaan, waarbij de man betwist dat de vrouw na het uiteengaan van partijen een lager inkomen heeft dan hij.

3.4.

Het hof overweegt als volgt.

Partijen zijn gezamenlijk en ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning, zodat zij in beginsel op grond van art. 3:172 BW bij helfte de lasten van de woning dienen te dragen. De vrouw meent dat zij niet gehouden is tot deze bijdrageplicht en zij doet daartoe een beroep op de samenlevingsovereenkomst, stellende dat daarin een (afwijkende) regeling is opgenomen voor de betaling van de woonlasten.

Vaststaat dat op 19 maart 2014 de samenleving tussen partijen is geëindigd, nadat de vrouw de woning heeft verlaten. Bij brief van 31 maart 2014 heeft de vrouw de man gemeld met ingang van 19 maart 2014 de samenlevingsovereenkomst te beëindigen.

In het licht van deze omstandigheden heeft tussen partijen op grond van artikel 10 van de samenlevingsovereenkomst te gelden dat de overeenkomst per 19 maart 2014 is ontbonden en gelden de bepalingen van de samenlevingsovereenkomst vanaf die datum niet meer. De artikelen 2 en 6, waarin een regeling is getroffen voor de betaling van de woonlasten tijdens de samenleving, zijn derhalve vanaf 19 maart 2014 niet meer van toepassing.

Wel bepaalt artikel 12 van de samenlevingsovereenkomst dat ieder van partijen, nadat de samenleving is be ëindigd, het recht heeft nog drie maanden in de woning te blijven wonen, in welk geval het bepaalde in artikel 6 “zoveel mogelijk” van toepassing blijft. Zoals de man heeft aangevoerd, ziet dit artikel echter niet op de onderhavige situatie, waarin één van partijen zonder overleg de woning verlaat, de overeenkomst per die datum beëindigt en de ander in de woning achterblijft. Het beroep van de vrouw op de bedingen in de samenlevingsovereenkomst slaagt derhalve niet. Dit brengt mee dat de algemene regel van artikel 3:172 BW van toepassing is en ieder van partijen de helft van de woonlasten dient te dragen.

Het hof is van oordeel dat de eisen van redelijkheid en billijkheid niet tot een andere uitkomst leiden. Het enkele feit dat de vrouw niet het woongenot heeft gehad in de periode van 19 maart 2014 tot 29 augustus 2014 of – voor wat betreft de periode vanaf 19 maart 2014 tot de datum dat de woning aan een derde wordt geleverd – financieel niet in staat zou zijn de helft van de woonlasten te betalen, hetgeen door de man wordt betwist, is onvoldoende om van de wettelijke regeling af te wijken.

De eerste grief faalt derhalve.

3.6.

In haar tweede grief stelt de vrouw dat zij ten onrechte is veroordeeld tot betaling aan de man van een gedeelte van de teveel ontvangen toeslagen, die de man inmiddels heeft terugbetaald aan de belastingdienst. Volgens de vrouw was zij niet betrokken bij de aanvraag van de toeslagen en heeft de man bewust onjuiste gegevens aan de belastingdienst verstrekt zodat hij hogere toeslagen zou ontvangen. De man heeft de ontvangen bedragen ten gunste van zichzelf gebruikt.

De man stelt zich op het standpunt dat niet hij maar de vrouw de toeslagen heeft aangevraagd. De ontvangen toeslagen zijn opgegaan aan de kosten van de huishouding, zodat van de vrouw verlangd kan worden dat zij aan de man de helft betaalt van het bedrag dat de man heeft moeten terugbetalen.

3.7.

Het hof overweegt als volgt.

In het midden kan blijven wie van partijen de toeslagen heeft aangevraagd. Immers, het hof begrijpt de stellingen van de vrouw aldus, dat zij van mening is dat zij niet hoeft bij te dragen in de terugbetaling van de teveel ontvangen toeslagen, omdat de man deze (alleen) ten gunste van zichzelf heeft gebruikt.

In eerste aanleg heeft de man gesteld dat de gedurende de samenleving ontvangen toeslagen volledig zijn opgegaan aan de kosten van de huishouding, dat partijen niets hebben gespaard en niet over enig vermogen beschikken. De vrouw heeft niet bestreden dat partijen niets hebben gespaard en niet over enig vermogen beschikken. Gelet op de verplichting van partijen tot het bijdragen in de kosten van de huishouding naar rato van hun inkomen en vervolgens naar rato van hun (inkomen uit) vermogen, heeft de kantonrechter terecht overwogen dat de man zijn standpunt dat de ontvangen toeslagen zijn opgegaan aan het huishouden, voldoende heeft onderbouwd met de overlegging van bankafschriften waaruit blijkt dat het saldo op zijn privérekening aan het begin en aan het einde van de samenleving ongeveer gelijk was. Gelet op deze uitgangspunten lag het op de weg van de vrouw om haar stelling dat de man de toeslagen ten gunste van zichzelf heeft uitgegeven nader te concretiseren. Nu zij dit niet heeft gedaan, heeft zij de stellingen van de man onvoldoende betwist en faalt deze grief.

3.8.

De vrouw voert in haar derde grief aan dat de kantonrechter ten onrechte de vordering van de man ten aanzien van de aanzuivering van de en/of rekening en de door hem betaalde debetrente voldoende onderbouwd heeft geacht. Volgens de vrouw heeft zij sinds november 2014 geen inzage meer gehad in de transacties van de en/of rekening. Zij heeft voor het laatst op 31 augustus 2010 een bedrag op deze rekening gestort en alle bedragen die hierna op deze rekening zijn gestort of opgenomen, zijn door de man gedaan. Het is aan de man te wijten dat er een debetsaldo is ontstaan, dat aangezuiverd moest worden, zodat niet beslist had mogen worden dat zij moet bijdragen in de aanzuivering of betaling van de debetrente.

De man is van mening dat de vrouw wel dient bij te dragen in deze kosten, nu het een – gemeenschappelijke – en/of rekening betreft waarvan kosten van de huishouding zijn voldaan. Hier doet niet aan af dat hij de rekening nagenoeg alleen heeft gevoed. De man wijst erop dat de kantonrechter nog een derde bedrag in de verrekening heeft meegenomen. Het betreft de kosten voor de aangifte Inkomstenbelasting, met welke kosten de vrouw akkoord is gegaan.

3.9.

Het hof verwijst in de eerste plaats naar rechtsoverweging 3.7., waarin kort gezegd is opgenomen dat de man onweersproken heeft gesteld dat partijen niets hebben gespaard en niet over enig vermogen beschikken, terwijl partijen de verplichting hadden vanuit hun inkomen en vervolgens hun vermogen bij te dragen in de kosten van de huishouding. Het feit dat deze rekening is gebruikt voor de betaling van de kosten van de huishouding, is door de vrouw niet betwist.

Hoewel de tenaamstelling van een en/of rekening in de regel geen uitsluitsel geeft over de gerechtigdheid tot het saldo op deze rekening, brengt het gegeven dat sprake was van een schuld, vanwege de hoofdelijke verbondenheid jegens de bank, in beginsel mee dat partijen deze schuld in hun onderlinge verhouding tot hun bijdrageplicht dienen te dragen. Nu vaststaat dat de man de schuld heeft aangezuiverd, heeft hij uit dezen hoofde een (regres)vordering op de vrouw. De vrouw heeft geen grief gericht tegen de vaststelling van haar bijdrageplicht door de kantonrechter, waarbij de kantonrechter voor de onderlinge draagplicht heeft aangeknoopt bij de verdeling van de kosten van de huishouding. Deze onderlinge draagplicht blijft aldus in stand, in welk verband het hof ten overvloede nog wijst op het gegeven dat artikel 8 van de samenlevingsovereenkomst voorschrijft dat een gemeenschappelijke bankrekening aan beide partijen toebehoort en dat ieder van partijen voor de helft tot het saldo is gerechtigd.

Het voorgaande betekent dat de grief van de vrouw op dit onderdeel niet slaagt. Evenmin heeft de vrouw onderbouwd waarom zij niet zou hoeven bij te dragen in de kosten voor de aangifte Inkomstenbelasting. De grief van de vrouw faalt derhalve geheel.

3.10.

De conclusie dient te zijn dat de grieven van de vrouw falen.

Er is onvoldoende aanleiding om de vrouw te veroordelen in de proceskosten, zoals door de man is verzocht. Deze kosten zullen op de gebruikelijke wijze worden gecompenseerd.

3.11.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, H.A. van den Berg en

M.C. Schenkeveld en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op

13 december 2016 (bij vervroeging).


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature