Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Echtscheiding, Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Verknochtheid aanspraak op ontbindingsvergoeding. In hoeverre resterende ontslagvergoeding nog aanwenden voor uitkering tot levensonderhoud?

Uitspraak



beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/611727 / FA RK 16-4793

Beschikking van 21 december 2016 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende tevens verwerende partij,

hierna mede te noemen de man,

advocaat mr. C.E. Tonningen-ter Huizen te Hilversum,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende tevens verzoekende partij,

hierna mede te noemen de vrouw,

advocaat mr. I. Vledder te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Bij beschikking van deze rechtbank van 4 mei 2016 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken is iedere beslissing op de verzoeken tot nevenvoorzieningen aangehouden.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de nadien ingekomen stukken, te weten een brief ingekomen op 1 november 2016 met producties 9 tot en met 28 van de zijde van de man en een productielijst ingekomen op 1 november 2016 met producties 18 tot en met 39 van de zijde van de vrouw en een faxbericht van de zijde van de man, inhoudende een aanvullend verweerschrift, ingekomen op 10 november 2016.

1.3.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 11 november 2016.

Gehoord zijn: partijen en hun advocaten.

1.4.

De man heeft, zoals afgesproken, na de zitting nog stukken toegezonden. Ter griffie is op 17 november 2016 ingekomen de brief met twee bijlagen van de zijde van de man.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd te Soest op [datum] 1991.

2.2.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 29 september 2015 van deze rechtbank, hersteld bij beschikking van 2 december 2015 van deze rechtbank, is een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 4.820,- per maand en is het meer of anders verzochte afgewezen.

2.3.

De echtscheidingsbeschikking van 4 mei 2016 van deze rechtbank is op 6 september 2016 ingeschreven in de daartoe bestemde registers.

3 De verzoeken van partijen

3.1.

De man verzoekt, voor zover thans nog in geschil, de verdeling vast te stellen conform zijn voorstel. Daarnaast verzoekt hij te bepalen dat hij een brutobedrag van € 34.704,- mag verrekenen met een met de vrouw te verdelen bruto bonusuitkering, winstdeling en vakantietoeslag.

3.2.

De vrouw verzoekt, voor zover thans nog in geschil, een door de man aan haar te betalen uitkering tot levensonderhoud te bepalen van € 4.765,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen en de verdeling vast te stellen conform haar voorstel.

4 De verdere beoordeling

4.1.

Partijen zijn bijna 25 jaar gehuwd geweest. De man is thans [leeftijd] jaar oud, de vrouw is thans [leeftijd] jaar oud. Zij hebben twee meerderjarige, thans studerende kinderen, die beiden op kamers wonen.

4.2.

Vanaf 1 augustus 1999 en ook gedurende de laatste jaren van de huwelijkse samenleving was de man werkzaam bij ADP Nederland BV (ADP). In het laatste jaar van huwelijkse samenleving bedroeg het basisloon van de man € 11.319,- bruto per maand. Daarnaast ontving de man inkomen uit vakantietoeslag, bonus, winstdeling, Restricted Stock Units (RSU) en stock opties. Het fiscaal inkomen bedroeg in de jaren 2012 tot en met 2014 respectievelijk 351.597,-, € 380.539,-, € 391.696,- en € 487.476,-. Het dienstverband met ADP is, blijkens de tussen de man en ADP op 7 mei 2015 overeengekomen beëindigingsbijeenkomst, per 1 oktober 2015 met wederzijds goedvinden beëindigd. Daarbij is overeengekomen dat ADP de man een beëindigingsverzoek zal betalen van € 440.000,- bruto, ter vervanging van door de man toekomstig te derven arbeidsinkomen, al dan niet in verband met een elders te verdienen lager salaris, uit te betalen op door de man aan te geven wijze en moment gelegen na 1 oktober 2015 en voor 1 januari 2016. Voorts is afgesproken dat in de maand september 2015 een eindafrekening wordt gemaakt, waarbij wordt betrokken het nog aan de man toekomende salaris tot 1 oktober 2015, vakantietoeslag en bonus. Met betrekking tot de RSU is overeengekomen dat deze zullen worden afgewikkeld conform gemaakte afspraken en geldende voorwaarden, waarbij de actuele resultaten bepalend zijn en dat betaling plaatsvindt in de maand september 2015 bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2015. Uit de salarisstrook over september 2015 blijkt dat bij de eindafrekening een nettobedrag van € 72.776,09 is uitbetaald, resulterend uit de bruto uitbetalingen van loon, bonus, winstdeling, vakantietoeslag en RSU. Dit bedrag is op 24 september 2015 op de rekening van de man gestort. De ontbindingsvergoeding, althans het netto equivalent daarvan, is later in 2015 uitbetaald. Blijkens de aangifte inkomensbelasting 2015 van de man bedroeg de verschuldigde belasting € 228.800,-, zodat van de bruto ontbindingsvergoeding een netto bedrag van € 211.200,- resteerde.

4.3.

De man heeft in de maanden oktober tot en met december 2015 en januari 2016 een WW-uitkering ontvangen. Vanaf 1 februari 2016 tot 27 oktober 2016 was de man werkzaam in loondienst bij SDWorx. Zijn belastbaar loon bedroeg afgerond € 8.143,- per maand. Zijn arbeidsovereenkomst is per 27 oktober 2016 verbroken, met een loondoorbetalings-verplichting van zes weken, te weten tot 8 december 2016. De man maakt per die datum aanspraak op een WW-uitkering. Deze bedraagt volgens zijn opgave gedurende de eerste twee maanden € 3.298,- bruto per maand en na de eerste twee maanden € 3.078,- bruto per maand.

4.4.

De vrouw werkt sinds tien jaar als assistente in een orthodontiepraktijk. Haar huidige inkomen uit haar dienstbetrekking bedraagt voor drie dagen per week afgerond € 1.394,- netto per maand, exclusief vakantiegeld en € 1.505,- netto per maand inclusief vakantiegeld. Haar fiscaal inkomen uit die werkzaamheden bedroeg in 2014 € 17.512,- en in 2015 € 17.678,-. Daarnaast verricht zij sinds vijf jaar secretariële werkzaamheden ten behoeve haar broer op een advocatenkantoor. Voor deze werkzaamheden gedurende een dag per week ontvangt zij naar haar zeggen € 300,- netto per maand.

4.5.

Het verzoek tot echtscheiding is bij faxbericht van 23 september 2015 ingediend door de man en op 23 september 2015 ontvangen. Niet tegenstaande het feit dat in de door deze rechtbank verzonden ontvangstbevestiging aan partijen abusievelijk staat vermeld dat het verzoekschrift op 24 september 2015 is ontvangen, is de huwelijksgemeenschap tussen partijen daarom op 23 september 2015 ontbonden.

4.6.

Tussen partijen staat vast dat de huwelijksgemeenschap op 23 september 2015 in ieder geval uit de volgende bestanddelen bestond.

- Voormalige echtelijk woning gelegen aan de [adres] ;

- De aan de woning gekoppelde hypothecaire leningen;

- Saldi bankrekeningen (mede gelet op de door de man na de zitting nog overlegde producties);

[rekeningnummer] op naam van de man, saldo € 6,09

[rekeningnummer] op naam van de man, saldo -/- € 2.858,58

[rekeningnummer] op naam van de man, saldo € 365,20

[rekeningnummer] op naam van de man, saldo € 11,72

[rekeningnummer] op naam van de man, saldo € 60,78

[rekeningnummer] op naam van de man, saldo € 103,67

[rekeningnummer] op naam van de man, saldo € 613,-

Beleggingsrekening ABN AMRO op naam van de man, saldo € 8.985,93

[rekeningnummer] op naam van de man, saldo € 5.220,04

[rekeningnummer] op naam van de man, saldo € 2.353,95

Beleggingsrekening ING, tenaamstelling onbekend, saldo € 58.500,-

[rekeningnummer] op naam van partijen, saldo € 297,04

[rekeningnummer] , op naam van partijen, saldo € 33.152,48

[rekeningnummer] , op naam van partijen, saldo € 321,12

[rekeningnummer] , op naam van partijen, saldo nihil

- Teruggave State of Delaware op naam van de man, waarde € 10.636,87;

- Stock opties Fidelity op naam van de man, waarde in geschil;

- Beleggingsverzekering Legal en General op naam van de man, waarde € 20.913,-.

- Levensverzekering (Beijer-polis) op naam van de man;

- Vordering zorginstituut;

- auto, bij partijen genoegzaam bekend, in het bezit van de vrouw;

- motor, bij partijen genoegzaam bekend, in het bezit van de man;

- inboedel.

4.7.

Tussen partijen is in geschil of de ontbindingsvergoeding, waarvan tussen partijen vast staat dat deze tot uitbetaling is gekomen na de datum ontbinding huwelijksgemeenschap, in de gemeenschap valt en voor verdeling in aanmerking komt. Daarnaast is tussen partijen in geschil of de gehele aanspraak op het uit dienstbetrekking van de man met ADP op 24 september 2016 op zijn rekening gestorte bedrag ad € 72.776,09 voor verdeling in aanmerking komt, hetgeen door de vrouw is gesteld, dan wel of slechts een bedrag van € 19.863,30, te weten de netto waarde van de van dit bedrag deel uitmakende bonus, winstdeling en vakantietoeslag tussen partijen dient te worden verdeeld, zoals door de man gesteld.

4.8.

De vrouw stelt – kort samengevat - dat nu, niet is gebleken dat de man de ontbindingsvergoeding in een stamrechtverzekering heeft gestort waaruit hij periodieke uitkeringen ontvangt die zijn inkomen aanvullen tot het niveau van zijn oude inkomen, deze vergoeding niet is aan te merken als vervanging van toekomstig inkomen, zodat (zo begrijpt de rechtbank) de aanspraak op die vergoeding niet aan de man is verknocht. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst de vrouw naar een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 22 januari 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ4094).

4.9.

De man stelt dat de mededeling van zijn voormalige werkgever, ADP, niet meer met hem verder te willen voor hem volstrekt onverwacht kwam en dat hij zijn lage verwachtingen op het vinden van een baan op een gelijk inkomensniveau, gelet op zijn leeftijd en toekomstperspectief, in zijn onderhandelingen heeft betrokken. Onder verwijzing naar hetgeen daarover expliciet is opgenomen in de in 4.2 bedoelde beëindigingsvergoeding stelt de man voorts dat de ontbindingsvergoeding uitsluitend is overeengekomen om de inkomensderving als gevolg van het ontslag op te vangen, niet alleen voor de korte termijn, maar ook voor de lange termijn en zelfs na toekomstige arbeidsovereenkomsten. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de aanspraak op de vergoeding aan hem verknocht is, verwijst hij naar de door de Hoge Raad naar zijn mening duidelijk uitgezette lijn en wijst hij in het bijzonder op de recente uitspraak van de Hoge Raad van 24 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1293). Ten aanzien van de RSU stelt de man dat deze eigenlijk, nu deze voorwaardelijk waren verstrekt, volgens de reglementen verbeurd zouden zijn bij ontslag en dat hij bij zijn ontslag heeft bedongen dat hij de RSU mocht blijven uitoefenen als onderdeel van zijn ontslagvergoeding. De RSU is daarom, net als de rest van zijn ontslagvergoeding, geoormerkt als toekomstig inkomen en daarom aan hem verknocht, aldus de man.

4.10.

De vrouw stelt over de RSU dat deze tijdens het huwelijk zijn verkregen en geen onderdeel uitmaken van de ontslagvergoeding en daarom in de verdeling dienen te worden betrokken.

4.11.

De rechtbank overweegt als volgt.

Naar vaste rechtspraak hangt het antwoord op de vragen of een goed op bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt – een en ander als bedoeld in art. 1:94 lid 3 BW – af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald.

4.12.

In het onderhavige geval was op de peildatum, 23 september 2015, reeds tussen de man en ADP overeengekomen dat de man in het geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2015 een ontbindingsvergoeding zou ontvangen en was er derhalve sprake van een aanspraak op een ontslagvergoeding. Deze aanspraak valt daarom in de gemeenschap tenzij vastgesteld wordt dat de aanspraak op bijzondere wijze aan de man is verknocht en die verknochtheid zich ertegen verzet dat de aanspraak in de gemeenschap valt. De rechtbank is van oordeel dat uit de uitspraken van de Hoge Raad van 17 oktober 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BE9080) en 24 juni 2016 valt af te leiden dat voor zover er sprake is van een uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende (aanspraak op een) vergoeding, die strekt tot vervanging van inkomen dat de werknemer bij voorzetting van de dienstbetrekking na die ontbinding zou hebben genoten en die derhalve ziet op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap, een dergelijke (aanspraak op een) vergoeding niet in de gemeenschap valt. Naar het oordeel van de rechtbank maakt de omstandigheid, dat in het onderhavige geval de vergoeding ineens is uitgekeerd aan de man en niet door de werkgever direct als koopsom onder een verzekeringsmaatschappij is gestort of is aangewend ter verwerving van een stamrecht, dit oordeel niet anders. De rechtbank vindt daarvoor steun in de overwegingen van de Hoge Raad in de laatst genoemde uitspraak van 24 juni 2016, waarin de Hoge Raad zich heeft uitgelaten over de inmiddels fiscaal niet langer toelaatbare situatie dat een ontslagvergoeding werd aangewend voor de verwerving van een stamrecht jegens een door de werknemer zelf opgerichte en beheerste B.V. waarbij de betrokken echtgenoot binnen de grenzen van de daarvoor destijds geldende fiscale voorwaarden zelf het tijdstip en de hoogte van de periodieke uitkeringen kon bepalen. De Hoge Raad overwoog in die situatie dat ook in dat geval de aanspraak op periodieke uitkeringen tot vervanging van inkomen strekt, dat de betrokken echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten en dat het, nu het gaat om de strekking van de aanspraak, niet van belang is in hoeverre de gerechtigde deze daadwerkelijk heeft verzilverd. Indien de aanspraak in een dergelijk geval ziet op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap, valt deze aanspraak daarom in zoverre buiten de gemeenschap, aldus de Hoge Raad. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit evenzeer in de situatie als de onderhavige, waarin op de datum van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap geen aanspraak bestond op periodieke uitkeringen maar op een uitkering ineens, mits die uitkering strekt tot vervanging van inkomen en ziet op de periode na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap.

4.13.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit de tekst van de tussen de man en zijn voormalige werkgever gesloten beëindigingsovereenkomst en de door de man geschetste feitelijke gang van zaken, hetgeen door de vrouw onvoldoende (gemotiveerd) is betwist, voldoende komen vast te staan dat de ontbindingsvergoeding van € 440.000,- bruto, op welke vergoeding de man op de peildatum een aanspraak had, uitsluitend strekte tot (inkomenssuppletie ter) vervanging van na de peildatum gederfd arbeidsinkomen. De omstandigheid dat de man ook genoodzaakt is gebleken om sinds de ontslagdatum, die slechts enkele dagen na de datum van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap lag, zijn inkomensverlies structureel aan te vullen vanuit de netto betaalde vergoeding om daarmee in zowel zijn eigen levensonderhoud als dat van de vrouw te voorzien, vormt naar het oordeel van de rechtbank bovendien een ondersteunende aanwijzing voor de aldus vastgestelde aard van de vergoeding. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de aanspraak op de ontbindingsvergoeding naar haar aard, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald, dient te worden beschouwd als een goed dat op bijzondere wijze is verknocht aan de man, zodanig dat de volledige aanspraak buiten de verdeling moet blijven en derhalve niet in de gemeenschap valt.

4.14.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat, hoewel in de beëindigingsovereenkomst ook aan de met betrekking tot de RSU gemaakte afspraken is gerefereerd, noch is gebleken dat uitbetaling van die RSU strekte tot vervanging van na de peildatum gederfd inkomen noch dat die betaling ziet op de periode na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. De aanspraak op de (daags na de peildatum uitgekeerde) RSU valt daarom in de gemeenschap. Nu de vrouw expliciet heeft verzocht (de aanspraak op) het volledige (daags na de peildatum) betaalde bedrag in de verdeling te betrekken, terwijl de man zich daartegen – met uitzondering van zijn hiervoor vermelde standpunt ten aanzien van de RSU – niet, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verweerd, zal de rechtbank het volledige bedrag van € 72.776,09, hetgeen de netto betaling betreft, in de verdeling betrekken.

4.15.

Nu (daarmee) niet langer in geschil is dat van de bovengenoemde saldi van de bankrekeningen per peildatum kan worden uitgegaan, zal de rechtbank de desbetreffende saldi op de wijze zoals door partijen verzocht in de verdeling betrekken. Ter zitting heeft de man zich bereid verklaard het eerder aan de vrouw aangeboden bedrag van € 2.952,- te betalen, waarmee de verdeling van de inboedel op de door hem voorgestane wijze alsmede de verdeling van de motor (blijft bij de man) en de auto (blijft bij de vrouw) zou zijn afgewikkeld. De vrouw heeft zich daarmee akkoord verklaard, zodat de rechtbank ter zake daarvan geen beslissing meer behoeft te nemen. Verder staat tussen partijen vast dat de teruggave ‘State of Delaware’ op naam van de man tegen een waarde van € 10.636,87 gelijkelijk tussen partijen zal worden verdeeld, zodat de man ter zake daarvan een bedrag van afgerond € 5.318,44 aan de vrouw dient te betalen. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de beleggingsverzekering Legal en General op naam van de man per peildatum zal worden gesplitst tegen een waarde van € 20.913,- , dat de bij leven van de man op 31 december 2021 aan hem te betalen uitkering uit de Beijer-polis te zijner tijd bij die uitkering tussen partijen gelijkelijk zal worden verdeeld en dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is met betrekking tot de vordering zorginstituut, bij partijen genoegzaam bekend.

4.16.

Met betrekking tot de stock opties bij Fidelity verschillen partijen van mening over de vraag van welke waarde dient te worden uitgegaan. Ter onderbouwing van zijn stelling dat uit dient te worden gegaan van de waarde per datum ontbinding huwelijksgemeenschap heeft de man voorzien van berekeningen en onderliggende bewijsstukken een totaalwaarde voorgesteld van € 156.143,35. De vrouw heeft weliswaar betwist dat van die waarde dient te worden uitgegaan en heeft gesteld dat de waarde per datum verdeling in aanmerking dient te worden genomen, maar zij heeft nagelaten haar stelling nader te onderbouwen. Bovendien heeft zij geen alternatieve in de verdeling te betrekken waarde voorgesteld, terwijl dat gelet op de tijdig door de man in het geding gebrachte gemotiveerde berekening van haar had mogen worden verwacht. De rechtbank ziet daarin aanleiding om aan de betwisting van de vrouw voorbij te gaan en uit te gaan van het door de man gestelde bedrag. Gelet daarop zal de rechtbank bepalen dat de man de helft van € 156.143,35, hetgeen neerkomt op afgerond € 78.071,68, ter zake van de stock opties bij Fidelity aan de vrouw dient te voldoen.

4.17.

De man verzoekt te bepalen dat de voormalige echtelijke woning thans niet in de verdeling wordt betrokken en te koop zal worden gezet waarbij partijen, na verkoop van de woning, na aflossing van de hypothecaire geldleningen en na aftrek van de met de verkoop van de woning gemoeide kosten, de eventuele overwaarde gelijk verdelen dan wel het in gelijke mate draagplichtig zijn voor de restschuld. De vrouw heeft ter zitting zich akkoord verklaard om met de door de man voorgestelde wijze van verkoop van de woning en met het thans onverdeeld laten van de woning, mits de man zolang de woning nog niet is verkocht de volledige woonlasten voor zijn rekening neemt. Nu de beantwoording van de vraag of de man de volledige woonlasten voor zijn rekening dient te nemen, hierna in de overwegingen van de partneralimentatie zal worden betrokken, zal de rechtbank eerst het verzoek tot het vaststellen van partneralimentatie behandelen.

4.18.

In de beschikking van 29 september 2015 van deze rechtbank is bij de bepaling van de draagkracht van de man uitgegaan van het gemiddeld fiscaal inkomen uit zijn dienstverband bij ADP over de jaren 2012, 2013 en 2014 inclusief bonussen en exclusief stockopties, te weten een jaarbedrag van € 215.939,-. Met inachtneming van de destijds door de man te maken lasten, te weten woonlasten, ziektekosten, verwervingskosten en kosten voor de kinderen, is bij wege van voorlopige voorziening een door de man aan de vrouw te betalen uitkering bepaald van € 4.820,- per maand.

4.19.

De man heeft de eerste maanden na deze beschikking, tot 1 februari 2016 aanspraak moeten maken op een WW-uitkering, door de man onbetwist gesteld op circa € 3.000,- bruto per maand, waarna hij tot 8 december 2016 een bruto inkomen heeft genoten van circa € 8.900,- per maand, terwijl in de beschikking voorlopige voorzieningen nog werd uitgegaan van een maandelijks bruto inkomen van ruim € 18.000,- per maand. De man is daarom genoodzaakt gebleken een deel van zijn ontbindingsvergoeding aan te wenden om de bij voorlopige voorzieningen bepaalde partneralimentatie te kunnen voldoen, alsmede zijn eigen kosten van levensonderhoud te betalen. Tussen partijen is niet in geschil dat de man de vastgestelde bijdrage is blijven betalen en dat hij daarnaast de volledige hypotheeklast van de echtelijke woning voor zijn rekening is blijven nemen.

4.20.

De netto ontbindingsvergoeding bedroeg € 211.200,-. De rechtbank stelt vast dat de man, teneinde aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen, inmiddels op circa de helft van die vergoeding zal hebben moeten interen, gelijk de man heeft gesteld, hetgeen door de vrouw niet, althans onvoldoende is betwist. De man zal dus thans nog weinig meer dan € 100.000,- van de ontbindingsvergoeding tot zijn beschikking hebben om zijn inkomensverlies voor de toekomst te kunnen opvangen.

4.21.

De man heeft onbetwist gesteld vanaf 8 december 2016 aanspraak te moeten maken op een WW-uitkering, die gedurende de eerste twee maanden € 3.298,- bruto per maand zal bedragen en na de eerste twee maanden € 3.078,- bruto per maand. Indien de man, zoals door de vrouw verzocht, tot de verkoop van de echtelijke woning de volledige woonlasten blijft voldoen, en daarnaast nog de kosten voor de meerderjarige kinderen blijft voldoen alsmede zijn ziektekosten, welke lasten door de vrouw niet zijn betwist, zal de man bij de laatstgenoemde hoogte van de WW-uitkering per maand en zolang de echtelijke woning nog niet is verkocht, een bedrag van circa € 4.000,- per maand als netto inkomen (uit de ontbindingsvergoeding) moeten aanwenden om zijn eigen kosten van levensonderhoud te kunnen voldoen en daarnaast de, als onderhoudsverplichting in aanmerking te nemen, helft van de Hypotheekrente ten behoeve van de vrouw voor zijn rekening te nemen. De rechtbank verwijst ter zake naar de aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekening.

4.22.

Hoewel thans nog onzeker is wat de toekomstige verdiencapaciteit van de man is en hoe lang de man nog genoodzaakt zal zijn de lasten van de echtelijke woning te blijven dragen, is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de financiële positie van de man in de toekomst substantieel slechter zal zijn dan hetgeen partijen ten tijde van het huwelijk gewend waren. Daarnaast is op grond van hetgeen door de man is gesteld, dat wordt ondersteund door de feitelijke gang van zaken sinds het ontslag bij ADP, door de man voldoende aannemelijk gemaakt dat zijn toekomstperspectief dusdanig onzeker is en zal blijven, dat hij hetgeen thans nog resteert van de ontslagvergoeding geacht kan worden nodig te hebben ter aanvulling van zijn inkomen gedurende de komende jaren tot zijn pensioendatum teneinde in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Van de man kan daarom niet gevergd worden dat hij nog verder inteert op zijn ontslagvergoeding ter voldoening van zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw.

4.23.

De rechtbank overweegt daarbij dat, hoewel de man de behoeftigheid van de vrouw heeft betwist, gelet op de inkomenspositie van partijen tijdens de huwelijkse samenleving en de door de vrouw begrootte te verwachten uitgaven, alsmede de verdiencapaciteit van de vrouw, niet gezegd kan worden dat de vrouw geen enkele behoefte heeft aan een door de man te betalen onderhoudsbijdrage. Van de man kan daarom wel verwacht worden dat hij voorlopig, tot de echtelijke woning zal zijn verkocht, bij wege van onderhoudsverplichting jegens de vrouw, haar helft van de hypotheeklasten van de echtelijke woning voor zijn rekening blijft nemen en de volledige kosten van de meerderjarige kinderen. Daarbij hecht de rechtbank eraan te benadrukken dat de postrelationele solidariteit voor de man weliswaar een verantwoordelijkheid schept om bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw, nu de vrouw naar verwachting gelet op haar arbeidsverleden een beperktere verdiencapaciteit heeft dan de man, maar dat deze solidariteitsgedachte de vrouw nog niet volledig van haar verantwoordelijkheid ontslaat om haar toekomstige bestedingspatroon aan te passen aan haar eigen financiële mogelijkheden en haar verdiencapaciteit optimaal te benutten. Bovendien zal de vrouw uit de onderhavige verdeling vermogen ontvangen, terwijl aan haar door middel van de vanaf september 2015 door de man betaalde onderhoudsbijdrage van € 4.820,- bruto per maand, reeds een substantieel deel van de aan de man verknochte ontbindingsvergoeding ten goede is gekomen. Het verzoek van de vrouw om een uitkering tot levensonderhoud wijst de rechtbank derhalve af, met dien verstande dat voor zover de man tot heden nog een uitkering tot haar levensonderhoud aan de vrouw heeft betaald, van de vrouw niet gevergd kan worden dat zij deze aan de man terugbetaalt.

4.24.

Het verzoek van de man om voor wat betreft de periode vanaf 1 februari 2016 tot en met 6 september 2016 vast te stellen dat de man gelet op zijn inkomen teveel heeft gefourneerd aan de kosten van de huishouding en daarom nog een bedrag van de vrouw dient terug te krijgen, wijst de rechtbank af. Daarbij overweegt de rechtbank dat de man van de beschikking voorlopige voorzieningen, waarbij vanuit is gegaan dat hij zijn inkomen zou aanvullen met gelden uit de ontbindingsvergoeding, zodat zijn inkomen aldus op dezelfde hoogte zou komen als in het laatste jaar van de huwelijkse samenleving, geen wijziging heeft verzocht. Het verzoek van de man om alsnog tot een andere verdeling van de kosten huishouding te komen komt er in wezen op neer dat hij de uitgangspunten zoals in de beschikking voorlopige voorzieningen zijn neergelegd alsnog gewijzigd wenst te zien, waartoe de rechtbank, gelet op de keuze van de man niet eerder om wijziging te verzoeken, thans geen ruimte meer ziet.

4.25.

Tot slot stelt de rechtbank vast dat, nu met de onderhavige beslissing is bepaald dat de man de volledige hypotheeklasten van de echtelijke woning zal blijven betalen, tussen partijen vast staat dat de echtelijke woning thans niet in de verdeling wordt betrokken en te koop zal worden gezet waarbij partijen, na verkoop van de woning, na aflossing van de hypothecaire geldleningen en na aftrek van de met de verkoop van de woning gemoeide kosten, de eventuele overwaarde gelijk verdelen dan wel het in gelijke mate draagplichtig zijn voor de restschuld.

5 De beslissing

De rechtbank:

- stelt vast dat partijen zijn overeengekomen dat de man een bedrag van € 2.952,- aan de vrouw zal betalen, waarmee de verdeling van de inboedel, de auto en de motor tussen partijen is afgewikkeld;

- stelt vast dat partijen zijn overeengekomen dat de echtelijke woning thans niet in de verdeling wordt betrokken en te koop zal worden gezet waarbij partijen, na verkoop van de woning, na aflossing van de hypothecaire geldleningen en na aftrek van de met de verkoop van de woning gemoeide kosten, de eventuele overwaarde gelijk verdelen dan wel het in gelijke mate draagplichtig zijn voor de restschuld;

- verklaart voor recht dat de aanspraak op de ontbindingsvergoeding van € 440.000,- bruto aan de man is verknocht en niet in de gemeenschap is gevallen;

- stelt de overige wijze van de verdeling van de inmiddels tussen partijen ontbonden huwelijksgemeenschap aldus vast dat

 ieder van partijen de onder 4.6 genoemde bank- en beleggingsrekeningen houdt die op zijn of haar naam staan onder de verplichting het helft van het saldo per 23 september 2015 aan de ander te voldoen;

 de teruggave ‘State of Delaware’ op naam van de man tegen een waarde van

€ 10.636,87 gelijkelijk tussen partijen zal worden verdeeld, zodat de man ter zake daarvan € 5.318,44 aan de vrouw dient te betalen;

 de beleggingsverzekering Legal & General tegen een waarde van € 20.913,- tussen partijen zal worden gesplitst;

 de aanspraak van de man op de netto betaling uit dienstbetrekking van € 72.776,09 en de stock opties bij Fidelity tegen een waarde van € 156.143,35 aan de man worden toegedeeld onder de verplichting van de man uit hoofde van de overbedeling aan de vrouw een bedrag van € 114.459,72 te betalen;

 ieder van partijen voor de helft draagplichtig is met betrekking tot de vordering Zorginstituut, bij partijen genoegzaam bekend;

 de bij leven van de man op 31 december 2021 te betalen uitkering uit de Beier-polis bij die uitkering gelijkelijk tussen partijen zal worden verdeeld.

- bepaalt dat de man uit hoofde van zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw tot de verkoop van de woning haar helft van de hypotheeklasten voor zijn rekening neemt;

- wijst het verzoek van de vrouw tot het bepalen van een door de man te betalen uitkering in haar levensonderhoud af, met dien verstande dat – voor zover de man partneralimentatie heeft betaald dan wel op hem is verhaald over de periode vanaf 6 september 2016 tot heden – een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw tot heden wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald of op hem is verhaald;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Kloosterhuis, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. T.E.D.M. Zijlmans, griffier, op 21 december 2016.

Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).Het beroep moet worden ingesteld:- door de verzoeker en door de verschenen wederpartij binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking;- door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van de beschikking in persoon of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze is betekend en overeenkomstig art. 820, lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature