Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Huwelijksvermogensrecht. Vervolg van HR 20 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7513, NJ 2006/76. Verdeling ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Slagende klachten tegen vaststelling van het wegens overbedeling verschuldigde bedrag. Hoge Raad doet zelf de zaak af.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



30 januari 2015

Eerste Kamer

14/00467

LZ/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de man],wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. D.Th.J. van der Klei,

t e g e n

[de vrouw],wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. S. Kousedghi.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1 Het geding

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak R05/111HR ECLI:NL:HR:2006:AU7513, NJ 2006/76 van de Hoge Raad van 20 januari 2006;

b. de beschikkingen in de zaak 105.009.168/01 van het gerechtshof Den Haag van 20 december 2006, 13 februari 2008, 23 juli 2008, 16 december 2009, 12 januari 2011, 10 augustus 2011, 20 juni 2012, 10 oktober 2012, 9 januari 2013, 31 juli 2013 en 16 oktober 2013.

De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.

2 Het tweede geding in cassatie

Tegen de beschikkingen van het hof van 20 december 2006, 13 februari 2008, 23 juli 2008, 16 december 2009, 12 januari 2011, 10 augustus 2011, 20 juni 2012, 10 oktober 2012, 31 juli 2013 en 16 oktober 2013 heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van 16 oktober 2013. Het cassatierekest en verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer verzocht het principale-, respectievelijk incidentele cassatieberoep te verwerpen.

De conclusie in zowel het principale cassatieberoep als in het incidentele cassatieberoep van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 16 oktober 2013 op het punt van de verdeling van de huwelijksgemeenschap zoals bepaald in rechtsoverweging 22 en 23 daarvan en wel voor zover het hof daarin de schulden van de man ter zake van de inkomstenbelasting ten bedrage van € 15.019,-- en van de WAZ 2003 ten bedrage van € 451,-- niet heeft betrokken en voorts voor zover de man is veroordeeld om aan de vrouw ter zake van overbedeling en na verrekening een bedrag van € 4.497,-- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag ingaande veertien dagen na betekening van deze beschikking, en afdoening als in de conlusie onder 4.11 vermeld. De conclusie in het principale cassatieberoep strekt voorts tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn cassatieberoep tegen de beschikkingen van het gerechtshof Den Haag van 23 juli 2008, 16 december 2009, 12 januari 2011, 10 augustus 2011, 20 juni 2012, 10 oktober 2012 en 31 juli 2013 en tot verwerping van cassatieberoep voor het overige.

De advocaat van de man heeft bij brief van 21 november 2014 op die conclusie gereageerd.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die zijn weergegeven in HR 20 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7513, NJ 2006/76. Bij die beschikking heeft de Hoge Raad de beschikking van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 13 juli 2005 vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dat hof.

3.2

Het geding na verwijzing betreft de verzoeken van de man en de vrouw tot verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.

Het hof heeft beslist dat als peildatum voor de bepaling van de omvang van de huwelijk-goederengemeenschap tussen partijen geldt: 1 januari 2004, en als peildatum voor de waardering: in beginsel het moment van de feitelijke verdeling (beschikking van 13 februari 2008, rov. 5 en van 12 januari 2011, rov. 4).

Bij laatstgenoemde beschikking heeft het hof een deskundige opgedragen een boedelbeschrijving op te stellen ter zake van de ontbonden huwelijk-goederengemeenschap.

Bij eindbeschikking heeft het hof overwogen geen aanleiding te zien het rapport van de deskundige niet integraal te volgen, behoudens op een in cassatie niet ter zake doend punt (rov. 5). Vervolgens heeft het hof de tussen partijen bestaan hebbende huwelijksgemeenschap verdeeld zoals in de beschikking bepaald en de man veroordeeld om aan de vrouw ter zake van overbedeling en na verrekening een bedrag van € 4.497,-- te betalen.

4 Beoordeling van de middelen in het principale beroep

4.1

Middel 4 klaagt dat het hof ten onrechte de schulden van de man ter zake van de inkomstenbelasting 2003 ten bedrage van € 15.019,-- en ter zake van de WAZ 2003 ten bedrage van € 452,-- niet in de verdeling heeft betrokken, waardoor het hof de huwelijksgoederen-gemeenschap in zoverre niet bij helfte heeft verdeeld.

Het middel slaagt op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.38-3.40 weergegeven gronden.

4.2

De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de in die middelen geformuleerde klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Beoordeling van de middelen in het incidentele beroep

5.1

Middel I klaagt dat rov. 22 en het dictum van de eindbeschikking niet aansluiten op de beslissing in rov. 14 en 17 van die beschikking dat de man ter zake van zijn aandeel in de VOF en de latentie FOR over de periode van 1 januari 2004 tot 1 januari 2012 aan de vrouw is verschuldigd in hoofdsom € 45.773,-- en aan rente € 8.056,--. Het middel wijst erop dat het hof heeft verzuimd het desbetreffende rentebedrag aan de vrouw toe te wijzen.

Het middel slaagt. In zijn rapport heeft de deskundige vastgesteld dat de vrouw jegens de man uit hoofde van diens aandeel in de door hem voorheen met zijn zoon gedreven VOF, per 1 januari 2012 nog aanspraak heeft op betaling van € 45.773,-- in hoofdsom en € 8.056,-- aan rente. Uit rov. 14 en 17 blijkt dat het hof, overeenkomstig zijn uitgangspunt, heeft beoogd de deskundige op dit punt te volgen. Het hof heeft evenwel verzuimd genoemd rentebedrag in zijn vaststelling van het door de man aan de vrouw uit hoofde van verdeling en verrekening te betalen bedrag te betrekken.

5.2

Middel II komt op tegen het oordeel van het hof in rov. 24 van de eindbeschikking, dat de door de man na 1 januari 2004 betaalde premies op de levensverzekeringspolis [001] ten bedrage van € 4.324,-- dienen te worden verrekend en dat de vrouw in verband daarmee een bedrag van € 2.162,-- aan de man dient te voldoen. Het middel klaagt dat dit oordeel in strijd is met de toedeling, in rov. 22 van de eindbeschikking, van de polis aan de man en met de beslissing dat 1 januari 2004 heeft te gelden als peildatum voor de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap.

Het middel slaagt. Uit het tweede deskundige-rapport (blz. 26 en 39) – dat het hof heeft beoogd te volgen, zie hiervoor in 3.2 – blijkt dat het standpunt van de deskundige dat de premiebetalingen na 1 januari 2004 dienen te worden verrekend, uitsluitend betrekking heeft op de situatie waarin de polis in de verdeling wordt betrokken voor de waarde die deze heeft op het moment van uitbrengen van het rapport, te weten begin 2013 (€ 39.130,--). In rov. 22 van zijn eindbeschikking heeft het hof de desbetreffende polis evenwel – in cassatie onbestreden – voor een bedrag van € 45.949,-- in de verdeling betrokken; dat is de waarde per 1 januari 2004 (zie rov. 12). Daarvan uitgaande komen de na die datum door de man betaalde premies niet voor verrekening in aanmerking.

6 Afdoening

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.

De gegrondbevinding van middel 4 van het principale middel brengt mee dat de vrouw voor de helft in de door de man verschuldigde inkomstenbelasting 2003 en de WAZ 2003 dient bij te dragen, dus voor een bedrag van € 7.735,--. Het slagen van middel I in het incidentele beroep leidt ertoe dat de man aan de vrouw dient te betalen het bedrag dat haar volgens het door het hof overgenomen oordeel van de deskundige toekomt aan rente ter zake van haar aanspraak op verrekening van het aandeel van de man in de VOF, te weten € 8.056,--. Het slagen van middel II in het incidentele beroep brengt mee dat de vrouw, anders dan het hof oordeelde, niet een bedrag van € 2.162,-- aan de man dient te voldoen.

Het hof had dus, in plaats van de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van per saldo € 4.497,--, hem moeten veroordelen tot betaling € 4.497,-- minus € 7.735,-- plus € 8.056,-- plus € 2.162,-- = € 6.980,--.

7 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale en het incidentele beroep:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 16 oktober 2013 voor zover de man daarin is veroordeeld om aan de vrouw ter zake van overbedeling en na verrekening te betalen een bedrag van € 4.497,--, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover ingaande 14 dagen na betekening van die beschikking;

en opnieuw recht doende:

veroordeelt de man om aan de vrouw ter zake van overbedeling en na verrekening te betalen een bedrag van € 6.980,--, te vermeerderen met de wettelijke rente, over een bedrag van € 4.497,-- vanaf 14 dagen na betekening van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 16 oktober 2013 en over het meerdere vanaf 14 dagen na betekening van deze beschikking.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, G. Snijders en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 30 januari 2015.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature